Jeugdherinneringen over de oorlogsjaren aan de Abdijkaai in Kortrijk

Ik ben Cécile Vermote, geboren op 25 juni 1924 in het huis Abdijkaai nr.3 in Kortrijk. Mijn overgrootvader aan moeders kant, Felix Vandewalle, was sasmeester aan de sluis van de Gentsesteenweg. De verdwenen woning voor de sasmeester, op de hoek van de Spinnerijkaai kan je op sommige oude foto's nog zien. Mijn grootvader was zelfstandig schoenmaker en woonde in de Abdijkaai nr.5. Mijn vader was meubelmaker en werkte bij Decoene en bij Vanderghinste in Kortrijk. Ik heb nog altijd mooie herinneringen aan de vaart, die toen heel goed onderhouden was. Ik ben er grootgebracht en mijn beste speelplaats was op de trakelweg op 5 meter van mijn huis. Er stonden toen maar 6 huizen vanaf het hoekhuis, de herberg 'au pont du canal', een kleine 20 meters van mijn woonst. Honderden schepen heb ik zien voorbij varen weg en weer, Bossuit-Leie en Leie-Bossuit, geladen met kolen, vlas, enz.. Aan de aanpalende kaaien waren er veel fabrieken, spinnerijen, weverijen en andere bedrijven. De industrie was toen in volle bloei. De slechtste periode, ik was rond de 15 jaar, was de oorlog 40-45. De bruggen werden vernield in Kortrijk, ook 'mijn' brug werd opgeblazen om eventueel de Duitsers de pas af te snijden. De belleman kwam ons verwittigen al de vensters en deuren open te zetten. We moesten schuilen in de grote sterke kelders van de 'filature de Courtrai'. In die kelders kon veel vlas gestapeld worden, maar nu werden ze gebruikt om de bevolking en de vluchtelingen een tijdje een onderkomen te bieden. Na de grote plof waren de mooie sterke brug en het sas verwoest, evenals de huizen in de buurt. Onze voordeur lag aan de achterdeur, er was een groot gat in de muur geslagen, het dak was vernield, elektrische draden op straat waren uitgerukt... Mijn vader had net de voorplaats van ons huis nieuw ingericht, alles was kapot. Vanaf nu begon de miserie, wij konden het centrum niet meer bereiken. In de maand mei 1940 waren er heel veel mensen, groot en klein, met pak en zak, met fietsen en karren en andere vervoermiddelen, die de Oostkantons en de grens met Duitsland ontvluchtten in een poging Frankrijk te bereiken. Er waren twee koppels die onderdak vroegen in ons nochtans half vernielde huis, die kwamen van Welkenraedt. Twee jonge mannen van rond de 18 jaar, het waren Joden, hebben ook enige dagen in ons huis geslapen. Gelukkig was het toen in mei heel goed weer en konden de mensen eventueel buiten leven. Aan de 'wikings' werd een houten sterke noodbrug over de Leie gemaakt om de Duitse troepen en hun materiaal te verplaatsen richting Menen en de Franse grens. Vele rijen Belgische, vermoeide en gekwetste krijgsgevangenen, bewaakt door gewapende Duitsers, kwamen langs de vaart voorbij ons huis. Sommige van die sukkelaars waren amper 5 minuten van hun huis maar durfden natuurlijk niet vluchten, ze werden gedeporteerd naar Duitsland. Een zekere namiddag moesten wij op bevel de rolluiken naar beneden laten en stond er om de 5 meter op het voetpad een soldaat met geweer in aanslag. Wij gluurden door de openingen van de vensters en zagen een gevolg van auto's met vlag en wimpel. In een van die auto's zagen wij Hitler. Iets later hoorden wij dat hij Ieper en omstreken wilde bezoeken. Tijdens de oorlog van 14-18 was hij daar enige tijd aan het front verbleven. De huizen in de Abdijkaai, waar ik woonde, werden waarschijnlijk gebouwd op de uitgegraven aarde van het kanaal. De kelders waren ongelooflijk sterk met heel dikke muren. Misschien, wie weet, restanten van de oude vestingen. Wij hadden grote openingen gemaakt tussen de kelders om eventueel te kunnen vluchten of mekaar te kunnen helpen in nood. Dat was tijdens de beschietingen aan de Leie en de bombardementen op Kortrijk die ons de daver op het lijf joegen. Ondanks de rantsoeneringen en bombardementen was het ook niet altijd miserie of kommer en kwel. Een wandeling langs de vaart gaf ons ook veel plezier. Er werden soms vissersprijskampen gedaan en in de zomer, aan de Luipaardbrug in Stasegem, zwemwedstrijden. Niet te vergeten: de zwemkom waar ik leerde zwemmen. Het zwembad werd voorzien van gezuiverd water uit de vaart. Veel wandelaars en stadsmensen kwamen zien hoe de werking van het sas gebeurde met het op en neer gaande water en de boten klein en groot. Die schepen werden getrokken, ofwel met mankracht, ofwel met paarden die gemend werden door boevers. In 1942 was er een heel strenge winter en de vaart was dik toegevroren, er was volle pret voor jong en oud, die kwamen van heinde en ver. Veel schaatsers kwamen hun kunsten tonen. Intussen was er een nieuwe brug gemaakt en die werd bewaakt door soldaten. In de Abdijkaai was er ook een schietstand (de tir) die nu nog bestaat. Die deed dienst voor de Duitse soldaten die kwamen oefenen en die, zingend en in de pas, ons huis voorbij kwamen. Daar werden ook verschillende mensen gefusilleerd, ook na de oorlog. Gelukkig werd de brug bij de vlucht van de Duitsers niet weer opgeblazen. De twee soldaten die dit moesten uitvoeren kwamen in het zicht van de Engelsen die aan de Julien Liebaertlaan opgesteld stonden met hun kanon. Een soldaat werd doodgeschoten en de andere is gevlucht. Ik woon nu in Harelbeke in de Zandbergstraat. Ik kan nu nog altijd, wanneer ik de brug overkom, niet nalaten om mijn vroegere woonst en de omgeving te bezien. Die grote mooie kastanjebomen die er nu nog staan, heb ik na de oorlog weten planten, ze zijn meer dan zestig jaar oud.